Als het gaat om de veiligheid van jonge kinderen in drukke of onbekende omgevingen, is niets belangrijker voor ouders dan een gerust hart. Maar wanneer die veiligheid wordt gewaarborgd met een hulpmiddel zoals een kinderharnas – ook wel tuigje genoemd – ontstaan er felle discussies. Wat voor de één een slimme voorzorgsmaatregel is, voelt voor een ander als een stap te ver. De vraag blijft dan ook: is het gebruik van een tuigje een uiting van zorg, of een teken van overmatige controle?
Het idee achter een kinderharnas is simpel: jonge kinderen, die nog geen volledig besef hebben van gevaar, kunnen zich onverwachts losrukken en weglopen. Vooral op drukke locaties zoals luchthavens, winkelcentra of toeristische trekpleisters kan dat beangstigende situaties opleveren. Ouders die kiezen voor zo’n tuigje doen dat vaak met die context in gedachten: ze willen hun kind wat vrijheid geven, maar wel binnen veilige grenzen.

Toch roept het beeld van een peuter aan een koord bij velen weerstand op. Er zijn mensen die het associëren met het uitlaten van een hond, en die vinden dat kinderen zo iets essentieels als vertrouwen in hun eigen zelfstandigheid ontnomen wordt. In gesprekken en reacties van ouders blijkt hoe uiteenlopend die perspectieven zijn. Waar de een het tuigje als redder in nood beschouwt – bijvoorbeeld nadat een kind zich meerdere keren had losgerukt in een onbekende stad – ziet de ander het als een onnodige vorm van beheersing.
Op sociale media verschijnen dan ook allerlei geluiden. Sommigen geven aan zich met een tuigje juist rustiger te voelen tijdens vakanties of in drukke winkelstraten. Ze beschouwen het niet als een beperking, maar als een manier om hun kind te beschermen terwijl het toch een zekere bewegingsvrijheid behoudt. Anderen zeggen juist te hebben afgezien van het tuigje, niet omdat ze het niet praktisch vonden, maar omdat ze bang waren voor de oordelen van anderen.
Die oordelen blijven namelijk niet uit. Het gebruik van een tuigje zorgt bijna standaard voor opgetrokken wenkbrauwen of zelfs openlijke kritiek. Toch is het oordeel vaak niet gebaseerd op de situatie of het kind zelf, maar op een algemeen gevoel over hoe ouders zouden moeten opvoeden. En daar schuilt precies het probleem: wat voor het ene kind en gezin werkt, hoeft niet voor de ander te gelden.
Opvallend is dat sommige ouders aangeven dat het tuigje hun kind juist hielp om grenzen te leren. Ze zagen dat hun kind sneller begreep wanneer het te ver weg liep, en leerden spelenderwijs wat wel en niet veilig was. Anderen gebruiken het enkel in specifieke omstandigheden, zoals op wintersport, in de bergen of tijdens drukke festivals.
Wat deze uiteenlopende meningen duidelijk maken, is dat er geen pasklaar antwoord bestaat. Elke ouder weegt risico’s en comfort anders af, en elk kind gedraagt zich in onbekende situaties op zijn eigen manier. Wat voor het ene gezin werkt, kan voor een ander ondenkbaar zijn – en dat is oké.
In de kern gaat het om hetzelfde doel: veiligheid bieden en kinderen leren om zelfstandig te bewegen in de wereld. Hoe ouders dat aanpakken, is aan hen. Of je nu kiest voor een tuigje of niet, het verdient respect wanneer die keuze bewust wordt gemaakt, met liefde en zorg voor het kind op de eerste plaats.
